Prostaatkanker

  • OMSCHRIJVING
  • SYMPTOOMCHECK
  • NIEUWS

Hoe merk ik het?

  • Meestal geen
  • Plasproblemen (moeilijk plassen, slappe straal, nadruppelen)
  • Bloed in de urine
  • Urineweginfecties
  • Pijnklachten (vooral botpijnen in bekken en wervelkolom)

Hoe werkt het?

Alleen mannen hebben een prostaat (in het Nederlands: voorstanderklier). Hij bevindt zich direct onder de blaas, daar waar de urineleider de blaas verlaat. De prostaat ligt om het begin van de urineleider heen. De beide zaadleiders, elk afkomstig van één van beide testikels, monden via de prostaat in de urineleider uit. Het grootste deel van het zaadvocht dat vrijkomt als de man een orgasme krijgt wordt geproduceerd in de prostaat. Prostaatweefsel is gevoelig voor mannelijk geslachtshormoon (testosteron). Bij afwezigheid van testosteron stopt de groei ervan. Uit prostaatweefsel komt een eiwit vrij, het PSA (Prostaat Specifiek Antigeen). Het PSA is meetbaar in het bloed. Het PSA gehalte in het bloed is verhoogd als de prostaat vergroot is, bij ontstekingen van de prostaat en ook bij prostaatkanker. Hoe hoger het gehalte, hoe groter de kans op het bestaan van een kwaadaardigheid. Vele mannen krijgen prostaatkanker en toch krijgt slechts een beperkt deel van hen ook werkelijk klachten en ziekteverschijnselen: bij ongeveer de helft van de mannen boven de 70 jaar is prostaatkanker aantoonbaar en bij vrijwel alle mannen boven de 90 jaar. Echter, slechts drie procent van alle mannen overlijdt eraan.

Hoe ontstaat het?

Vanaf het 50ste levensjaar neemt de kans op het krijgen van prostaatkanker toe. Welke factoren bijdragen aan het ontstaan van prostaatkanker is nog niet duidelijk. Wel is zeker dat erfelijkheid een rol speelt: als een familielid in de eerste graad (vader, broer) prostaatkanker heeft is de kans het zelf ook te krijgen twee tot vier maal zo groot als normaal.

Hoe ga ik er zelf mee om?

U kunt zelf niet veel doen. Als in de nabije familie prostaatkanker voorkomt is het wel zinvol na het vijftigste jaar de prostaat regelmatig te laten controleren.

Hoe gaat de arts er mee om?

Op grond van klachten of risicofactoren zal de arts onderzoek starten. Daarvoor staan een aantal methoden ter beschikking: meting van de PSA, het rectaal toucher (het via de anus met de vinger aftasten van de prostaat) en echografie van de prostaat. Elk afzonderlijk zijn geen van deze methoden voldoende gevoelig en betrouwbaar. Met elkaar maken ze wel een redelijk betrouwbare beoordeling mogelijk. De definitieve diagnose wordt pas gesteld door het aantonen van kankercellen. Daarvoor neemt de uroloog, via de anus, met een holle naald hapjes uit verdachte knobbels in de prostaat. Voor de behandeling zijn er twee mogelijkheden: de prostaat kan operatief verwijderd worden of hij wordt bestraald. Zijn er uitzaaiingen aangetoond dan is operatie of bestraling niet zinvol meer. De prognose van prostaatkanker hangt af van de uitgebreidheid (tumorgrootte, wel of geen uitzaaiingen) en de agressiviteit ervan (goed of slecht gedifferentieerd). De meeste mannen worden nooit ziek. Als het gezwel in een vroeg stadium wordt ontdekt en behandeld is er een grote kans op genezing; is het gezwel uitgezaaid, dan is doorgroei een paar jaar af te remmen, maar niet blijvend.